Hoofdstuk 3: De Boerderij

Written by:

Gender Deel 1

Vijftien leerlingen, drie onderwijsgevenden, de agrariër, hun partner en drie kinderen bevinden hun allemaal in de gigantische keuken van het gezin. Een lange eettafel met enorme banken en genoeg ruimte voor iedereen sieren de kamer op de grote boerderij. De persoon Van Dam schenkt voor alle gasten wat te drinken in en hun partner schotelt ze allerlei lekkernijen voor. De blazen van de jongelui zijn geleegd en alle spullen, zoals tassen en jassen, zijn netjes weggestopt in een grote kast. Er wordt af en toe wat schuin gekeken naar de kinderen van het gezin, omdat ze er niet uitzien als reguliere scholieren zoals de leerlingen dat kennen, maar wellicht is er een logische verklaring voor en terwijl ze het hun allemaal laten smaken, stelt de persoon Van Dam iedereen uit het gezin voor.  

“Dit hier is mijn vrouw, mevrouw Van Dam, maar jullie mogen best Annie zeggen, toch lieverd?” Hen werpt een verliefde blik op hun wederhelft. Bij het horen van het woord ‘vrouw’ verslikt een aantal hun danig, maar de persoon Van Dam gaat ongestoord verder: “Dat zijn mijn drie kinderen. Mijn zoon Berend en mijn twee dochters Willemijn en Gerdien.” Hen wijst ze stuk voor stuk aan bij het noemen van de namen.  

Er wordt door de onderwijsgevenden een beetje gechoqueerd naar elkaar gekeken, maar niemand durft er nog iets over te zeggen. Ze hebben het idee dat het een grap is, maar weten het niet zeker. Als het een grap was, dan zou het een zeer onsmakelijke zijn. Dit zijn eigenlijk geen zaken waar grappen over gemaakt kunnen worden. Niet zozeer omdat het gevoelige kwesties zijn, maar omdat het hevige nadelige psychologische gevolgen kan hebben. En dan hebben we het nog niet eens over de wet.   

“Berend is de jongste telg van het gezin en Willemijn en Gerdien zijn tweelingzussen, maar dat hadden jullie waarschijnlijk al gezien.” 

Nova neemt wat verbaasd en geschrokken het woord: “Sorry, maar u zei …?” 

De persoon Van Dam laat aer aer zin niet afmaken en vervolgt hun verhaal: “Met zijn allen runnen we deze boerderij. Een familiebedrijf dat ik tien jaar geleden van mijn vader heb geërfd, God hebbe zijn ziel. Mijn zoon Berend zal op zijn beurt het bedrijf weer erven van mij. Willemijn en Gerdien zullen goed achtergelaten worden en kunnen wellicht helpen hier. Alhoewel er voor hen natuurlijk genoeg te doen is in de communie. Maar ik heb nog geen plannen om de pijp uit te gaan. Toch lieverd?” zegt hen lachend.  

De drie onderwijsgevenden proberen de oren te bedekken van de leerlingen die naast hen zitten en de meeste anderen doen het zelf. “Sorry, …” zegt Jip zwaar verbouwereerd, maar kan riaj zin niet afmaken.  

“Oh geen zorgen, mevrouwtje, er is geen reden voor excuses, jullie zijn allemaal van harte welkom om hier even te wachten in de warmte en de magen te vullen en de dorst te lessen”, geeft Annie aan alvorens hun partner het doet. “Helaas kunnen we je niet helpen aan een telefoon, daar hebben we nooit behoefte aan gehad hier.” Hen staart de kinderen met een extreem brede lach net iets te lang aan.    

Jip is nu toch wel ontzettend geïrriteerd en danig beledigd, met name door het woord ‘mevrouwtje’. Wie denken deze mensen wel niet dat zij zijn!? Ri maakt aanstalten om op te staan, maar de persoon Van Dam staat achter ria en drukt ria met twee flinke handen, in vroeger tijden kolenschoppen genaamd, terug de bank op om hun verhaal te vervolgen.  

“Blijf lekker zitten, jongedame, je hoeft nergens heen. Eet nog wat en maak het jezelf gemakkelijk.” Hen kijkt de kinderen aan en vraagt of ze hun ook eens willen voorstellen.  

Pip, die normaal gesproken niet zozeer op zeer mondje gevallen is, neemt het voortouw en stelt zeerzelf gedecideerd, vol overgave en zelfvertrouwen voor: “Ik ben Pip en mijn voornaamwoorden zijn zem, zeer, zeer, zeers en zeerzelf.” 

Er wordt goedkeurend door Nova geknikt naar Pip en ae is blij dat zeer zeer voornaamwoorden duidelijk kenbaar heeft gemaakt in de hoop dat de persoon Van Dam deze hint van zeer snapt. Ae stelt aerzelf daarna voor. 

“Ik ben Nova, ik onderwijs Maatschappijleer, en mijn voornaamwoorden zijn …” 

“Jullie komen hier natuurlijk niet vandaan hè, jongeman, en zijn niet bekend met onze manieren”, valt Annie aer in de rede. “Hier gebruiken we gewoon ‘hij’ en ‘zij’ hoor. Dat houdt het overzichtelijk voor iedereen en maakt het communiceren zoveel makkelijker.” 

Voor Nova is de maat nu toch wel vol door deze onbeschofte houding van de agrariërs en hun disrespect voor voornaamwoorden en genderneutraal taalgebruik zoals dat hoort, gebruikelijk is en is vastgelegd in standaard woordenboeken en in de moderne etiquetteregels. Woedend staat ae op van aer bank waarmee ae de aandacht van de persoon Van Dam en hun partner gelijk naar aerzelf toe trekt. Vier van de leerlingen, die ontzettend ontdaan en van slag lijken te zijn door deze gang van zaken, weten hun hierdoor ongemerkt uit de kamer te werken, terwijl Nova aer zegje doet. 

“Ik denk niet dat u begrijpt hoe wij ons voelen door uw ongepaste taalgebruik, het bezigen van taboewoorden en het negeren van onze gewenste voornaamwoorden. Ik wilde het niet doen, maar u begrijpt dat u op deze manier vele regels aan het overtreden bent en ons en onze leerlingen enorme psychische schade aan het berokkenen bent. Wij zijn u uiteraard heel dankbaar voor het eten en drinken, maar ik verwacht dat u ons op de juiste manieren adresseert.” 

De agrariërs lijken hierdoor geenszins van hun stuk gebracht en lachen de woedende leerkracht vriendelijk toe. Er valt een stilte terwijl de twee met een grote glimlach op het gezicht blijven staren. Een minuut of twee blijven hun hoofden ietwat scheef zo staan zonder te knipperen met de ogen. “Wil er iemand nog wat meer thee?” vraagt Annie uit hun trance komend. Zowel de onderwijsgevenden als de leerlingen staren de groep rond hun afvragend hoe nu verder. Eén van de leerlingen geeft aan dat hu nog wel wat thee zou lusten en daarmee volgt de rest van de groep. Het lijkt erop alsof er in stilte besproken is dat ze het gesprek maar met elkaar zullen voeren en Van Dam, hun partner en hun kinderen maar even te laten. Zij gaan na dit incident dan ook met zijn vijven bij elkaar zitten en fluisteren onderling met elkaar.  

— 

Billy, Idris, Rowan en Pip zitten verscholen naast een bureau in de kamer van een van de kinderen en het lijkt erop dat het de kamer van Berend is. In eerste instantie proberen ze elkaar te troosten en zijn ze aan het bijkomen van de schok van wat ze zojuist hebben gehoord uit de mond van de agrariër. Billy heeft eir arm om Rowan heengeslagen en e probeert em op es beurt gerust te stellen door over eir been te strelen met es hand. Idris, bij wie de tranen over per wangen biggelen, krijgt van Pip zeer zakdoek aangereikt. Het is Billy die als eerste spreekt. 

“Dit is een serieuze zaak, toch? Dit kan toch niet zomaar?” 

Rowan is het met em eens en knikt al snikkend instemmend. “Dit gaat alle perken te buiten en ik ben diep beledigd en geraakt hierdoor en zou wel een psych kunnen gebruiken nu.” 

“We moeten wat doen. Deze mensen zijn totaal het spoor bijster en missen elke vorm van respect. Dit is absoluut niet het inclusieve zoals wij dat kennen en kijk wat het met ons doet!” valt Idris em bij.  

Ook Pip is het ermee eens dat dit een halt moet worden toegeroepen. Het gezamenlijke verdriet van zojuist wordt omgezet in een enorme strijdlust aangewakkerd en aangemoedigd door Billy. Ey lijkt er geen doekjes om te willen winden.  

“Deze personen hebben een enorme zonde begaan en houden er een gedachtegoed op na welke de hele mensheid kan ontwrichten. Het is een schande en een zonde en ze zullen dat met hun leven moeten bekopen. Niet alleen omdat ze zondig zijn, maar ook om te voorkomen dat hun ‘ziekte’, want dat is het, zich verder verspreidt.” Ey houdt eir gebalde vuist omhoog en stampt eir linkervoet hard op de houten vloer aan het eind van eirs laatste zin.  

De woorden van eirs komen hard binnen bij eir vrienden, maar ze staan volledig achter em. Ey steekt eir hand vooruit alsof ey zich met een strijdkreet wil klaarmaken voor een wedstrijd. Al snel volgt Rowan die es hand op die van eirs legt. Idris en Pip volgen en met eir, per, zeer en es hand op elkaar is het pact gesloten. De vier jongelingen gaan stil in de kamer op zoek naar iets dat ze kunnen gebruiken als wapen. Billy, was al voorbereid, want ey had van de keukentafel een mes ontvreemd en in eir zak gestoken.  

— 

“Berend, Willemijn, Gerdien,” zegt de persoon Van Dam wat statig en formeel, “ik denk dat het beter is als jullie even naar jullie kamers gaan. Ik wil deze mensen graag even toespreken en het lijkt me dat jullie daar verder niet bij hoeven te zijn.” Als de drie demonstratief opstaan, kijken de leerlingen om en werpen eens een goede blik op de kleding van deze drie vreemdelingen. Ze zien dat het overduidelijk geen gepaste kleding is voor kinderen om te dragen.  

Willemijn en Gerdien dragen beiden dezelfde soort jurk van een rode stof met frivole franjes aan de onderkant en getailleerd op een manier die je normaal alleen bij kleding voor sommige volwassenen ziet. Ze vertonen vormen die ongepast en onbekend zijn bij jongeren van hun leeftijd. Met hun klompen en hun wilde haren, lijkt de kleding van Berend op een agrariër zoals de leerlingen die kennen uit de geschiedenisboeken. Hen draagt net als hun ouder een tuinbroek van versleten spijkerstof en daaronder een blauw shirt met een tekst die onleesbaar is geworden door het vele wassen en een teken dat lijkt op een cirkel met een pijl die naar boven wijst. De leerlingen schudden hun hoofden als de drie de kamer verlaten en over hun schouders nog een blik op de groep werpen.  

De persoon Van Dam loopt op hun gasten af, terwijl hun partner wat angstig op hun plek kijkt naar wat hen gaat doen. Hen gaat achter Luca staan en kijkt de groep doordringend aan. Lichte vrees is te zien in de ogen van de onderwijsgevenden en grote vraagtekens in die van de leerlingen als de agrariër hun mond open doet om te gaan spreken.  

Leave a comment

Latest Articles